Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Blog Wraking oorlogsmisdadiger ongegrond

Wraking oorlogsmisdadiger ongegrond

by Mr. J.L. de Kreek — last modified 02-02-2013 12:40
Opgeslagen onder:

Blijkens de beschikking van de wrakingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 31 januari 2013 is het in Nederland in strafzaken niet mogelijk een raadsheer van het Gerechtshof die deelneemt aan de oorlogsmisdaden van de VVD te wraken. Ook niet nu de verdachte reeds jaren werk maakt van de strafvervolging van deze oorlogsmisdaden van de raadsheer en zijn partij. Kennelijk heeft de wrakingskamer van het Gerechtshof nog nooit van artikel 12 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie gehoord. Wel is volgens het Hof de wrakingskamer in beginsel bevoegd een wrakingszaak op de voet van artikel 316 Sv voor nader onderzoek te verwijzen naar de raadsheer-commissaris.

Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is - samengevat – het volgende aangevoerd. De oorlog in Irak is zonder adequaat volkenrechtelijk mandaat en (daarom) zonder geldige reden gevoerd. Er is aldus sprake van onrechtmatig geweld in Irak, dat (mede) door de Nederlandse regering en de Nederlandse strijdkrachten is gepleegd. De voorzitter in de hoofdzaak (Mr. Mijnsberge) is lid van de partijraad van de VVD en (daardoor) mede verantwoordelijk voor de beslissing van de VVD om de oorlog in Irak te steunen en hij neemt deel aan, althans geeft gelegenheid aan oorlogsmisdaden, terrorisme en genocide aldaar gepleegd. Voornoemd onrechtmatig geweld houdt verband met de Jodenvervolging van 1940-1945, hetgeen onderwerp is in de strafzaak in hoger beroep. De VVD is bovendien mede verantwoordelijk voor de aangiftes in de hoofdzaak.

Gelet op het voorgaande bestaat bij verzoeker een gegronde vrees dat de voorzitter niet eerlijk enlof onafhankelijk zal oordelen in de hoofdzaak in hoger beroep, hetgeen eens temeer blijkt uit de omstandigheid dat de voorzitter geen verzoek tot verschoning heeft gedaan. Daar komt bij dat verzoeker al jarenlang strijd voert tegen de hiervoor genoemde misdrijven in Irak en dat hij de strafvervolging van onder meer mr. Mijnsberge en de VVD nastreeft. Tegen de VVD en Mark Rutte heeft verzoeker inmiddels aangifte gedaan; tegen mr. Mijnsberge (nog) niet. Ook om die reden bestaat een gegronde vrees dat mr. Mijnsberge niet onpartijdig zal kunnen oordelen in de hoofdzaak in hoger beroep, aldus verzoeker.

Verzoeker heeft het hof verzocht onderhavige wrakingszaak op de voet van artikel 316 Sv te verwijzen naar de raadsheer-commissaris, om nader onderzoek te doen naar - kort gezegd – de deelname van mr. Mijnsberge als partijraadslid van de VVD aan oorlogsmisdaden, terrorisme en genocide in Irak. Verzoeker heeft tevens verzocht dat onderhavige wrakingszaak, wegens door mr. Mijnsberge gepleegde ambtsmisdrijven, ingevolge artikel 162 Sv ambtshalve zal worden verwezen naar de officier van justitie voor nader onderzoek.

De wrakingskamer is volgens het Hof bij beschikking van 31 januari 2013 op zichzelf bevoegd onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden die aan een wrakingsverzoek in een strafzaak in hoger beroep ten grondslag liggen en is in dat kader in beginsel ook bevoegd een wrakingszaak op de voet van artikel 316 Sv voor nader onderzoek te verwijzen naar de raadsheer-commissaris. Ingevolge artikel 316 Sv dient het verzochte onderzoek noodzakelijk te zijn.

Het Hof oordeelt dat het vast staat dat mr. Mijnsberge lid is van de partijraad van de VVD. Ook staat volgens het Hof vast dat de VVD zich niet heeft verzet tegen deelname van Nederland aan het militair ingrijpen in Irak. De kwalificatie van die houding is naar mening van het Hof echter geen feit dat zich voor feitelijk onderzoek door de raadsheer-commissaris leent. Onderzoek door de raadsheer-commissaris is daarom naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk, zodat dit verzoek is afgewezen.

Naar het oordeel van het hof is voorts onvoldoende gebleken dat zich in het onderhavige geval uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de voorzitter in de hoofdzaak jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees hiervoor objectief gerechtvaardigd is. De omstandigheid dat de voorzitter lid is van de partijraad van de VVD, dat door verzoeker tegen de VVD aangifte is gedaan en verzoeker wordt verdacht van - kort gezegd – discriminerende uitlatingen jegens joden, is niet voldoende zwaarwegend.

Overige feiten of omstandigheden waaruit een (persoonlijke) vooringenomenheid van de voorzitter jegens verzoeker zou volgen of een gegronde vrees hiertoe, zijn volgens het Hof niet gebleken. Dat degenen die aangifte tegen verzoeker hebben gedaan in de hoofdzaak in hoger beroep zodanig nauw verbonden zijn met de voorzitter en diens partij lidmaatschap, dat daardoor de onpartijdigheid van de voorzitter in het geding is, is evenmin voldoende gebleken. Een en ander brengt mee dat het wrakingsverzoek is afgewezen.

Overigens constateert het Hof nog dat ambtshalve toepassing van artikel 162 Sv op zichzelf niet kan leiden tot een toe- of afwijzing van het onderhavige wrakingsverzoek en mitsdien buiten de behandeling van het wrakingsverzoek valt.